Niveau 1 · 7-8 jaar (groep 4-5)

Op dit niveau leer je de eerste drie woordsoorten herkennen: het lidwoord, het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord. Dit zijn de bouwstenen van iedere zin.

Uitleg

Lidwoorden

Een lidwoord is een klein woordje dat vlak vóór een zelfstandig naamwoord staat. Het Nederlands kent er maar drie: de, het en een. 'De' en 'het' zijn bepaalde lidwoorden (je weet precies welk ding bedoeld wordt), 'een' is een onbepaald lidwoord (het kan om willekeurig welk exemplaar gaan).

Voorbeelden: de hond, het huis, een appel

Zelfstandige naamwoorden

Een zelfstandig naamwoord is een woord dat een persoon, dier, ding, plaats of begrip benoemt, zoals juf, kat, tafel, school of vriendschap. Vaak kun je er 'de' of 'het' voor zetten, en je kunt er meestal een meervoud van maken.

Voorbeelden: de juf, het huis, vriendschap

Bijvoeglijke naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een eigenschap van een zelfstandig naamwoord: hoe iemand of iets is. Het staat vaak vlak vóór het zelfstandig naamwoord ('een spannend boek') of na een werkwoord als 'zijn' ('het boek is spannend').

Voorbeelden: een spannend boek, de rode auto, het is groot

Oefeningen

Bij elke oefening zie je alleen een thema — geen woordsoort en geen nummer. Lees de zinnen en ontdek zelf welke woordsoorten aan bod komen. Dat is precies de bedoeling: goed woordbenoemen betekent dat je een woordsoort herkent zonder dat iemand het je voorzegt.

Verder naar Niveau 2 (9-10 jaar) →