Niveau 3 · 11-12 jaar (groep 8 / brugklas)

Op dit niveau leer je het voorzetsel en het telwoord kennen, en maak je kennis met vier soorten voornaamwoorden: persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend en vragend. Alle woordsoorten van niveau 1 en 2 blijf je gebruiken.

Uitleg

Voorzetsels

Een voorzetsel geeft een verhouding aan tussen woorden: een plaats, richting, tijd of andere relatie. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord, zoals in, op, met, naar, door, over, onder, tussen, langs of zonder.

Voorbeelden: in het huis, naar school, zonder jas

Telwoorden

Een telwoord geeft een aantal of een volgorde aan, zoals twee, tien, honderd, eerste of derde. Later leer je dat er twee soorten telwoorden bestaan, maar op dit niveau herken je ze eerst allemaal als 'telwoord'.

Voorbeelden: drie appels, de eerste dag, honderd euro

Persoonlijke voornaamwoorden

Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon (of dier/ding) die iets doet of waarover gesproken wordt: ik, jij/je, hij, zij/ze, wij/we, jullie, zij/ze, en de vormen mij/me, jou/je, hem, haar, ons, hen/hun.

Voorbeelden: ik loop, zij helpt hem, wij zien jullie

Bezittelijke voornaamwoorden

Een bezittelijk voornaamwoord laat zien van wie iets is: mijn, jouw/je, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun.

Voorbeelden: mijn tas, jouw fiets, hun huis

Aanwijzende voornaamwoorden

Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets specifieks aan: deze, dit, die, dat.

Voorbeelden: deze tas, dit huis, die auto, dat boek

Vragende voornaamwoorden

Een vragend voornaamwoord hoort bij een vraag: wie, wat, welke/welk, wiens/wier.

Voorbeelden: Wie komt er?, Wat zeg je?, Welke kleur wil je?

Oefeningen

Bij elke oefening zie je alleen een thema — geen woordsoort en geen nummer. Lees de zinnen en ontdek zelf welke woordsoorten aan bod komen. Dat is precies de bedoeling: goed woordbenoemen betekent dat je een woordsoort herkent zonder dat iemand het je voorzegt.

Verder naar Niveau 4 (13+ jaar) →