Niveau 2 · 9-10 jaar (groep 6-7)

Op dit niveau breid je uit met twee nieuwe woordsoorten: het werkwoord en het voegwoord. Je blijft ook de woordsoorten van niveau 1 gebruiken, want alles bouwt op elkaar voort.

Uitleg

Werkwoorden

Een werkwoord geeft aan wat iemand doet, of in welke toestand iets is. Je herkent een werkwoord doordat je het kunt vervoegen: ik loop, jij loopt, wij liepen. In één zin kunnen meerdere werkwoorden staan, bijvoorbeeld een hulpwerkwoord samen met een hoofdwerkwoord.

Voorbeelden: ik loop, zij speelt, wij hebben gegeten

Voegwoorden

Een voegwoord verbindt twee zinnen of zinsdelen met elkaar. Bekende voegwoorden zijn en, maar, want, omdat, dus, of, toen en hoewel. Een voegwoord vertelt iets over de relatie tussen de twee delen: bijvoorbeeld een reden (omdat, want), een tegenstelling (maar, hoewel) of een gevolg (dus).

Voorbeelden: ik ren, want ik ben laat, het regent, maar ik ga toch naar buiten

Oefeningen

Bij elke oefening zie je alleen een thema — geen woordsoort en geen nummer. Lees de zinnen en ontdek zelf welke woordsoorten aan bod komen. Dat is precies de bedoeling: goed woordbenoemen betekent dat je een woordsoort herkent zonder dat iemand het je voorzegt.

Verder naar Niveau 3 (11-12 jaar) →